Vakoverstijgend rekenen begint vaak bij de meest rekenrijke vakken: wiskunde, natuurkunde, scheikunde en economie. Daar zit het rekenen het dichtst op de huid. Maar rekenen is een basisvaardigheid en komt dus bij elk vak wel in meer of mindere mate voor. Bij biologie spelen verhoudingen, concentraties en grafieken een rol, bij aardrijkskunde zijn er schalen en kaarten, en in vakken als geschiedenis of maatschappijleer kom je af en toe data, percentages en diagrammen tegen. Ook bij de taalvakken kom je rekenen tegen, denk alleen al aan het getal 99 in het Frans of klokkijken in het Engels.
De vraag is dan: hoe betrek je andere vakken bij de basisvaardigheid rekenen, zonder dat het aanvoelt als iets wat erbij komt? In deze blog delen we een aantal aanknopingspunten.
Begin bij wat er al gebeurt
Docenten en leerlingen rekenen al, ze noemen het alleen niet zo. Een docent aardrijkskunde die een schaal omrekent, doet aan verhoudingen. Een docent biologie die een concentratie uitlegt, gebruikt een ‘per’-eenheid. Denk eens aan het aflezen van de klok: hoe lang je nog hebt voor je toets, of hoe laat je de bus moet pakken. Het startpunt is dus niet ‘doe er rekenen bij’, maar ‘laten we de manier waarop we al rekenen op elkaar afstemmen’. Zo ontstaat er een gezamenlijke rekentaal voor de hele school.
Maak de meerwaarde concreet
Een docent uit een minder rekenrijk vak zal zich afvragen wat dit hem of haar oplevert. Het concrete antwoord: het bespaart iedereen tijd in lessen. Als een leerling bij elk vak dezelfde verhoudingstabel ziet, een stappenplan voor een verhaaltjessom gebruikt of weet hoe hij of zij moet tijdrekenen, dan hoef je niet meer apart uit te leggen hoe het rekenen werkt. Je kunt verwijzen naar een standaardmanier, en doordat deze manier in elk vak gebruikt wordt, hoef je deze maar één keer uit te leggen.
Alle daaropvolgende keren zijn voor leerlingen herhaling. Je hebt minder last van transferproblemen vanuit andere vakken, en je hoeft minder vaak terug naar de basis. De leerling herkent de aanpak, raakt niet rekenangstig en pakt sneller op wat er gevraagd wordt. Die gewonnen tijd komt ten goede aan jouw vakinhoud.
De winst is het grootst bij leerlingen die moeite met rekenen hebben. Een vaste structuur geeft hen in elk vak houvast. Ook in latere jaren kunnen ze altijd eerst even teruggrijpen op de oude vertrouwde manier. Dat sluit aan bij wat de Onderwijsraad adviseert: rekenen is een verantwoordelijkheid van alle leraren, niet alleen van de rekendocent.
Vraag niet om alles tegelijk
Het afspreken van een gezamenlijke rekenaanpak betekent niet dat elk vak elke rekenvaardigheid expliciet moet toelichten in zijn of haar les. Juist niet: het is de bedoeling dat het eenmalig goed wordt uitgelegd op het moment dat de nieuwe vaardigheid voorkomt in de methode. En vervolgens hoeft er in de toekomst alleen maar verwezen te worden naar die aanpak op een gezamenlijke rekenkaart. Een kleine reminder of opfrisser is genoeg, en je les kan weer doorgaan.
- Spreek af dat iedereen dezelfde notatie en dezelfde stappen gebruikt in de eerste leerjaren, ook als rekenen maar af en toe voorkomt.
- Hang een poster met de rekenafspraken van de rekenkaart in elk lokaal, zodat de aanpak overal zichtbaar is.
- Verwijs als docent naar ‘de manier van de rekenkaart’ op het moment dat er gerekend wordt.
Zo is rekenen een basisvaardigheid in elke les, zonder dat er veel extra tijd moet worden ingeruimd voor uitleg.
Het gesprek is opnieuw de sleutel
Net als bij het maken van de rekenkaart geldt: de winst zit in het gesprek tussen de vakken. Een docent geschiedenis die een grafiek bespreekt, kan van een collega wiskunde horen hoe die het stappenplan voor het oplossen van de vraag aanpakt. Andersom hoort de wiskundedocent in welke context zijn leerlingen het rekenen tegenkomen.
Die uitwisseling maakt het rekenen rijker en concreter. Andere vakken bieden namelijk betekenisvolle situaties om rekenvaardigheden te oefenen. Door dit traject herken je die rekenmomenten in je eigen les ook sneller, en kun je er kort aandacht aan besteden. Die context helpt leerlingen om te begrijpen waar ze het voor doen.
Houd het haalbaar
Bij het opzetten van een kernteam dat de vakoverstijgende rekenafspraken gaat ontwikkelen, lukt het niet altijd om vertegenwoordiging vanuit alle relevante vakken aan tafel te krijgen. Vaak start je met wiskunde, natuurkunde, scheikunde en economie, omdat juist daar de noodzaak het grootst is en de bereidheid het hoogst. Niet elk vak hoeft elke rekenvaardigheid van de rekenkaart te behandelen, en niet elke collega hoeft even enthousiast te zijn. Begin met de vakken waar rekenen echt een rol speelt, en breid daarna rustig uit. Een paar vakken die de afspraken consequent volgen, doen meer voor de leerling dan een schoolbreed plan dat niemand bijhoudt.
Door klein te beginnen, de meerwaarde te laten zien en het gesprek op gang te houden, groeit de kring vanzelf. Elke docent die meedoet, maakt de rekentaal voor de leerling een stukje consistenter.




