Eén uur rekenen per week, los van de gewone wiskundelessen: zo werkte het jarenlang op vmbo-groen school Vonk in Alkmaar. Leerlingen oefenden zelfstandig in het adaptieve programma SmartRekenen, met als doel uiteindelijk 2F te halen. Maar veel leerlingen kwamen al onder niveau 1F binnen: vorig jaar functioneerden in klas 1 nog 80 van de 120 leerlingen niet op het vereiste rekenniveau. Dat ene lesuur bleek niet genoeg. Coördinator basisvaardigheden Inge van der Pol en wiskundedocent Joop van Ovost vertellen hoe hun school een jaar lang bouwde aan één gedeelde rekentaal.

Overal een beetje rekenen, nergens één lijn

Rekenen gebeurt op Vonk allang niet alleen bij wiskunde. Ook bij economie, natuurkunde en scheikunde, en bij de praktijkvakken zoals groen, techniek en voeding komen leerlingen voortdurend rekenopgaven tegen. Alleen legden docenten dat vaak op hun eigen manier uit. Er bestonden al rekenkaarten, gemaakt door een collega van de wiskundesectie: voor bijna elk onderwerp een aparte kaart, zoals voor optellen. ‘Die werden nog wel gebruikt, maar heel wisselend’, vertelt Inge. ‘Het was erg docent- en klasafhankelijk.’ Door verloop in het team wisten sommige docenten niet eens dat de kaarten bestonden. Wat ook opviel: leerlingen konden een uitkomst berekenen, maar konden niet altijd inschatten of die uitkomst ook klopte. Een konijn dat 3.800 kilogram voer per dag zou eten bijvoorbeeld, zonder dat iemand daarvan opkeek.

Binnen de school is al eerder geprobeerd opnieuw structuur aan te brengen in het rekenonderwijs, met een aangewezen kartrekker rekenen. Maar vanwege de dagelijkse lespraktijk en de bemensing kwam het er niet van, een herkenbaar probleem voor veel scholen die zoiets willen oppakken. ‘Dat is gewoon niet gelukt’, zegt Inge er nuchter over.

Een partner die meetrekt

De subsidie basisvaardigheden dwong tot snelheid. ‘Dat voelde als paniekvoetbal’, herinnert Inge zich. Wat wel meteen vaststond: het moest vakoverstijgend, met inbreng vanuit alle rekenrijke vakken. Die keuze was bewust. ‘Het moest allemaal evidence-based zijn, daar ben ik een groot voorstander van’, zegt Inge. Ze wilde geen ingehuurde kracht die na een jaar weer vertrekt, maar iets dat in de school zelf zou blijven hangen: van kernteam naar vakgroep en weer terug.

Zo kwam Vonk terecht bij het initiatief Vakoverstijgend Rekenen, met WisMon als implementatiepartner. Onderwijsadviseur Gavin Jansen begeleidde het traject vanaf het eerste kernteamoverleg in oktober 2025. Hoewel Inge zelf geen rekenles geeft, nam ze de rol van kartrekker rekenen op zich toen de eerste kartrekker wegviel. ‘Vooral een stok achter de deur’, zegt ze over wat de begeleiding van WisMon haar vooral bracht. ‘Iemand die je meetrekt, die iedereen om tafel krijgt. En die de kennis en ervaring van andere scholen meebrengt.’

Van kaartenbak naar één rekenkaart

Bij de eerste brede bijeenkomst met alle docenten van de rekenrijke vakken, nog voor de zomer, klonken kritische geluiden: sommigen vonden dat er al te lang gewacht was en wilden gewoon verder met de kaarten die er al waren. Die aanpak strandde. WisMon stelde vervolgens een vaste kernteamopzet voor, met uit elke sectie één vertegenwoordiger en gefaciliteerde uren per lid, om het eigenaarschap bij de school te houden en breed draagvlak te creëren voor de rekenkaart. Vertegenwoordigers gingen steeds met een concrete opdracht terug de eigen vakgroep in, zodat het kernteam met die input de knopen kon doorhakken.

Het kernteam kreeg vijf voorbeeldkaarten van andere scholen aangereikt. ‘Dan hoef je niet bij nul te beginnen’, zegt Inge. ‘Een soort van swipe right, swipe left: dit wel, dat niet.’ De verhoudingstabel kwam uit het ene voorbeeld, het metriek stelsel uit een ander, tijdrekenen weer uit een derde. Zo groeide in een paar rondes een eigen kaart: eerst getest binnen het kernteam, daarna door alle docenten van de rekenrijke vakken en ten slotte ook voorgelegd aan leerlingen.

“We hebben gewoon spijkers met koppen geslagen.”

Inge van der Pol, Vonk Alkmaar

Het resultaat is bewust compact: zeven onderdelen, van het metriek stelsel en de verhoudingstabel tot grote getallen en de rekenvolgorde. ‘Er kunnen nog wel twintig dingen bij als je erover doorredeneert’, zegt Joop, ‘maar dan wordt het onoverzichtelijk. Dit zijn echt de dingen waar ze iets mee gaan doen.’

Zichtbaar voor de hele school

Voor komend schooljaar liggen de afspraken al vast, ook al moet de kaart nog echt de school in. In de onderbouw mag de rekenkaart straks ook bij toetsen gebruikt worden, in de bovenbouw alleen tijdens de les. Elke leerling krijgt een eigen exemplaar, er komen klassensets in de vaste lokalen en een digitale versie komt in Teams. Mentoren gaan de kaart uitdelen in de eerste mentorles, in elke klas van 1 tot en met 4. Ook werden ouders al geïnformeerd via de nieuwsbrief, in de hoop dat leerlingen er thuis ook naar gevraagd worden. Leerlingen die de kaart tijdens het testen al zagen, reageerden vooral praktisch, vertelt Inge: ‘De eerste vraag was: mag ik hem ook bij een toets meenemen? Dat is op zich al een goed teken.’ Een kaart die leerlingen de moeite waard vinden, wordt volgens haar ook vaker gebruikt.

Wat volgens Inge het meeste verschil maakt, is niet de kaart zelf, maar wie hem heeft gemaakt: ‘Vroeger werd rekenen toch een beetje bij de wiskundesectie geparkeerd. Nu hebben alle docenten van de rekenrijke vakken hieraan meegewerkt.’

Opvallend, en volgens Gavin best zeldzaam: de schoolleiding sloot bij elke kernteambijeenkomst aan, in de vorm van teamleiders Sylvia Zuierveld (onderbouw) en Andries de Rooij (bovenbouw). ‘Dat is op de meeste scholen niet zo’, zegt hij. Gestuurd was dat niet: de bijeenkomsten stonden op de gedeelde jaarplanner en ze kozen er zelf voor aan te sluiten. Wat ze inbrachten was een blik op wat haalbaar is binnen de organisatie, vertelt Inge. Hun aanwezigheid onderstreepte vooral één ding: dit was niet alleen een zaak van het kernteam, de hele schoolleiding stond erachter.

De kar blijft rijden

Bemensing bleef de grootste uitdaging. Toen een wiskundedocent met een volledige aanstelling wegviel, kon de sectie een tijd lang niemand structureel missen voor het kernteam. De vakgroep zorgde er wel voor dat er bij elke bijeenkomst iemand aanschoof, ook al was dat niet steeds dezelfde persoon. Ook eigenaarschap was een bewuste keuze: Gavin liet zoveel mogelijk bij het kernteam zelf. Anders was het nooit een product van de school zelf geworden, realiseert Inge zich.

“Zo’n rekenkaart maken kan uiteindelijk iedereen wel. Maar dat je dat met elkaar gaat dragen en dat iedereen het gaat doen, daar ligt de uitdaging.”
Inge van der Pol, Vonk Alkmaar

Meetbaar effect bij leerlingen is er nog niet, daarvoor is het te vroeg: pas komend schooljaar krijgen alle leerlingen de kaart in handen. Vanaf volgend schooljaar zet Vonk in op duurzame borging van de gemaakte afspraken, onder meer door collega’s te laten zien hoe de kaart in de les werkt: ‘Je moet het echt voordoen. Zeggen: dit is een moeilijke som, ik pak de rekenkaart erbij.’ Ook inventariseert het kernteam bij collega’s welke behoefte er is om hun eigen rekenvaardigheid en -didactiek te versterken, mogelijk als invulling van een studiemiddag.

Aan een school die zich afvraagt of zo’n traject iets voor hen is, heeft Inge een concreet antwoord: het werkt vooral omdat je vooraf vastlegt wat je wilt bereiken, met wie, en in hoeveel tijd. ‘Dat is een garantie dat het ook lukt binnen die tijd’, zegt ze. ‘Want leg je dit bij onszelf neer, dan is er al snel iets dat urgenter is op het moment dat er iemand uitvalt. Bij ons zijn dat uiteindelijk de lessen en dat is natuurlijk ook goed, maar dan blijft dit soort dingen liggen.’ Precies dat overkwam de eerdere poging om zelf een kartrekker aan te wijzen: goede wil, maar geen bescherming tegen de waan van de dag. Met vaste, gefaciliteerde uren per sectie, een vaste plek op de jaarplanner en het vooruitzicht dat iemand van buiten er nog eens naar kijkt, lukte het dit keer wél!